De gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde hebben hun financiële reserves in 2025 zien groeien. Putten vormt de uitzondering: daar bleef het totale vermogen vrijwel gelijk aan dat van een jaar eerder. Dat blijkt uit de jaarrekeningen over 2025.
Dagblad De Stentor heeft de financiële positie van de vier gemeenten onder de loep genomen. Uit een analyse van accountantskantoor BMC blijkt dat de gezamenlijke reserves van Nederlandse gemeenten in 2025 met bijna 3 miljard euro zijn gestegen tot ruim 46 miljard euro. Gemiddeld komt dat neer op 2.546 euro per inwoner.
Grote verschillen tussen gemeenten
Zeewolde beschikt met bijna 140 miljoen euro over de grootste reserve van de vier gemeenten. Dat komt neer op 5.524 euro per inwoner. Harderwijk heeft ruim 120 miljoen euro achter de hand, oftewel 2.415 euro per inwoner. In Ermelo bedraagt de totale reserve bijna 81 miljoen euro, goed voor 2.865 euro per inwoner.
Putten had eind 2025 ruim 85 miljoen euro aan reserves, ongeveer 3.387 euro per inwoner. Daarmee heeft de gemeente per inwoner meer financiële middelen beschikbaar dan Ermelo en Harderwijk, maar minder dan Zeewolde.
Geld voor toekomstige uitgaven en tegenvallers
Een deel van de gemeentelijke reserves is al bestemd voor concrete plannen, maar nog niet uitgegeven. Deze zogenoemde bestemmingsreserves bedroegen eind 2025 bijna 59 miljoen euro in Ermelo, ruim 59 miljoen euro in Harderwijk, bijna 69 miljoen euro in Putten en bijna 65 miljoen euro in Zeewolde.
Het overige vermogen dient onder meer als buffer voor financiële tegenvallers. Gemeenten houden geld achter de hand doordat geplande uitgaven vertraging oplopen, bijvoorbeeld door personeelstekorten. Ook houden zij rekening met mogelijke financiële tekorten als gevolg van toekomstige veranderingen in de rijksbijdragen.
De reserves van Zeewolde zijn sinds 2017 gegroeid en bereikten eind 2025 het hoogste niveau sinds 2016, voor zover de beschikbare cijfers teruggaan. Ook Ermelo zag de reserves sinds 2020 toenemen. In Harderwijk was het vermogen eind 2025 eveneens hoger dan in voorgaande jaren, met het hoogste niveau sinds 2016.
In Putten nam de reserve voor het eerst sinds 2018 af. De omvang bleef desondanks met ruim 85 miljoen euro vrijwel gelijk aan die van begin 2025.
Inkomsten hoger dan begroot
De jaarrekeningen laten zien dat de werkelijke inkomsten in 2025 bij alle vier de gemeenten hoger uitvielen dan begroot. De extra inkomsten kwamen onder meer uit rijksbijdragen en lokale belastingen, waaronder de onroerendezaakbelasting (ozb).
Ermelo ontving ruim 120 miljoen euro, tegenover ruim 100 miljoen euro die vooraf was begroot. De gemeente gaf uiteindelijk ongeveer 6.000 euro minder uit dan er binnenkwam.
Harderwijk begrootte bijna 230 miljoen euro aan inkomsten, maar ontving ruim 250 miljoen euro. De uitgaven lagen uiteindelijk ongeveer 5.000 euro hoger dan de inkomsten.
Putten rekende vooraf op ruim 76 miljoen euro aan inkomsten en ontving uiteindelijk ruim 96 miljoen euro. De inkomsten overtroffen de uitgaven met ongeveer 3.000 euro.
Zeewolde verwachtte ruim 100 miljoen euro aan inkomsten, maar ontving bijna 160 miljoen euro. De gemeente hield uiteindelijk ongeveer 3.000 euro over.
Meerjarenbegrotingen wijzen op druk op reserves
De financiële vooruitzichten voor de komende jaren verschillen per gemeente. Volgens eerdere analyses van accountantskantoor BDO, opgesteld voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen en de daaropvolgende coalitieonderhandelingen, verwachten Ermelo en Putten tot en met 2029 meer uit te geven dan er binnenkomt.
Voor Ermelo gaat het om een verwacht tekort van ruim 3,5 miljoen euro en voor Putten om bijna 2,7 miljoen euro. Als deze ramingen uitkomen, zouden de reserves dalen tot respectievelijk ruim 69 miljoen en ruim 83 miljoen euro.
Harderwijk verwacht over dezelfde periode juist bijna 5,9 miljoen euro meer inkomsten dan uitgaven. De reserves zouden daardoor kunnen uitkomen op ruim 110 miljoen euro. Zeewolde voorziet een tekort van ruim 10 miljoen euro, waardoor het vermogen volgens deze eerdere prognose kan teruglopen tot bijna 120 miljoen euro.
De berekeningen zijn gebaseerd op eerdere meerjarenramingen. Een analyse van de nieuwste begrotingen moet nog uitwijzen hoe de financiële vooruitzichten zich inmiddels hebben ontwikkeld.


